Klimaatverandering
Beleid: mitigatie
Mitigatie gaat over minder uitstoot van broeikasgassen. Broeikasgassen zijn gassen die de temperatuur van de Aarde verhogen. Het richt zich op de gassen kooldioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O) en fluorverbindingen (HFK's, PFK's en SF6).
Bij het beperken van broeikasgassen gaat het meestal over CO2, omdat dit de grootste bijdrage levert aan de opwarming van de Aarde. Bijna een vijfde van het Nederlandse klimaatprobleem wordt veroorzaakt door niet-CO2 broeikasgassen. Het beleidsprogramma Reductie Overige Broeikasgassen (Senternovem.nl) heeft daar meer gegevens over. En op Emissieregistratie.nl zijn uitstootgegevens per gemeente beschikbaar.
Uitstoot beperken betekent:
- Zorgen voor minder uitstoot van broeikasgassen, bijvoorbeeld door schonere en duurzamere producten te gebruiken;
-
eerdere uitstoot opvangen, bijvoorbeeld door de afvang en opslag van broeikasgassen.
Verderop in deze pagina:
Mitigatiebeleid: internationale en Europese afspraken
Het klimaatbeleid voor mitigatie stoelt op de afspraken in het Kyoto-protocol en de aansluitende afspraken in de Europese Unie (EU).
1. Kyotoprotocol
Het Kyoto-protocol (unfccc.int) of Verdrag van Kyoto stamt uit 1997. Het is een uitwerking van het Klimaatverdrag. Het Klimaatverdrag is een verdrag van de Verenigde Naties (VN). Bijna alle lidstaten van de VN hebben dat verdrag ondertekend.
De landen zijn in het Kyoto-protocol overeengekomen om de uitstoot van broeikasgassen in 2008 tot 2012 met gemiddeld 5,2 procent te verminderen vergeleken met 1990. Maar dat percentage verschilt van land tot land. Het hangt af van de economische kracht van een land. Nederland moet 6 procent minder broeikasgassen uitstoten in 2012. De afspraken uit het Kyoto-protocol zijn al ingebed in het Nederlandse beleid in het project Klimaat en Energie 'Schoon en Zuinig'.
De industrielanden mogen een deel van hun uitstoot verminderen met speciale maatregelen. Het gaat om mogelijkheden om in het buitenland uitstoot te verminderen. Ook mogen ze het uitstootrechten verhandelen (in de vorm van zogenoemde emissierechten. Met deze maatregelen kunnen ze hun doelen goedkoper realiseren dan in eigen land, terwijl wereldwijd de uitstoot van broeikasgassen daalt.
Specfiek gaat het om de volgende drie instrumenten:
-
Clean development mechanism (CDM)
Met CDM kunnen landen de uitstoot verminderen in ontwikkelingslanden die niet hun uitstoot moeten verminderen. Dit is goedkoper dan in eigen land. Landen kunnen helpen door bijvoorbeeld het gebruik van duurzame energie en schone technologieën te stimuleren.
Nederland heeft CDM-contracten gesloten met onder andere Mexico, Panama, Colombia, Costa Rica, Guatemala, El Salvador, Bolivia, Guatamala, Honduras, Indonesië, Nicaragua en Uruguay.
Het CDM maakt het voor bedrijven aantrekkelijk om in ontwikkelingslanden in schone technologieën te investeren. Zij kunnen de uitgespaarde broeikasgassen verkopen aan industrielanden. De industrielanden kunnen op hun beurt deze 'gekochte' broeikasgassen van hun eigen verplichte CO2-vermindering aftrekken. Maar dat mag alleen als die uitstoot niet was verminderd zonder dat project. Voorbeelden van projecten staat op de website van SenterNovem.
Nederland loopt met de uitvoering van CDM voorop. Naast de samenwerkingsovereenkomsten met landen zijn contracten afgesloten met de Rabobank, de Wereldbank, de International Finance Corporation (IFC), de Internationale bank voor reconstructie en ontwikkeling (IBRD) en de regionale ontwikkelingsbank voor de Andes (CAF).
VROM is verantwoordelijk voor het clean development mechanism. -
Joint implementation (JI)
Met joint implementation kunnen industrielanden de uitstoot van broeikasgassen in andere industrielanden verminderen. Die vermindering kunnen ze vervolgens meetellen voor de eigen Kyoto-doelstellingen.
Joint implementation vindt vooral in Oost-Europa plaats. Daar zijn nog veel mogelijkheden zijn om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, tegen lagere prijzen.
Zo heeft Nederland in 2000 een overeenkomst gesloten met Roemenië. Nederland 'koopt' tussen 2008 en 2012 jaarlijks 5 Mton CO2 in Roemenië via projecten voor joint implementation. In die projecten wordt met Nederlands geld en expertise de uitstoot van broeikasgassen verminderd. Nederland mag die verminderde uitstoot alleen meetellen voor de eigen Kyoto-doelstellingen als die uitstoot niet was verminderd zonder dat project. Het is ook mogelijk dat industrielanden de verminderde uitstoot onderling verdelen, wat credit sharing heet. Voorbeelden van projecten staat op de website van SenterNovem.
Het ministerie van Economische Zaken (EZ) is verantwoordelijk voor joint implementation. EZ sluit contracten met industrielanden voor joint implementation-projecten via verschillende programma’s. Voor CDM-projecten zijn ook aankoopprogramma’s opgezet. -
Emissiehandel
Met emissiehandel (dossier) kunnen landen hun uitstootverplichtingen verhandelen. Ook bedrijven voor bedrijven kunnen emissiehandelssystemen worden opgezet. Zo doet Nederland mee aan een Europees systeem voor CO2-emissiehandel voor bedrijven. Ons land begon met emissiehandel in februari 2005. VROM is verantwoordelijk voor emissiehandel.
LINK: dossier Emissiehandel
2. EU-afspraken
Het Europees Parlement, dat medewetgever is, heeft op 17 december 2008 met het klimaat- en energiepakket ingestemd. De Europese Unie heeft hiermee, als eerste in de wereld, ambitieuze klimaatdoelen voor 2020 om in concreet beleid. De maatregelen zijn nodig om de temperatuurstijging te beperken tot 2 graden Celsius en daarmee de effecten van klimaatverandering hanteerbaar te houden.
Belangrijkste afspraken in het akkoord zijn:
- Europa stoot 20 procent minder uit van broeikasgassen in 2020 ten opzichte van 1990.
- 20 procent hernieuwbare energie in 2020 in Europa.
- 10 procent hernieuwbare energie in transport in 2020.
- Solidariteit met nieuwe lidstaten die minder welvarend zijn dan het gemiddelde in de Europese Unie. Zij ontvangen meer rechten om te veilen en daardoor meer veilingopbrengsten. Door middel van een herverdeling (12 procent) van de veilingrechten onder het EU-emissiehandelysteem (ETS) wordt solidariteit getoond met de nieuwe lidstaten, die een relatief minder hoge welvaart kennen dan gemiddeld in de EU.
- In het ETS wordt veilen het belangrijkste mechanisme om emissierechten aan bedrijven toe te wijzen. Ongeveer de helft van alle rechten in het ETS zal worden geveild (op dit moment is dat 3 procent). De overige rechten worden gratis toegewezen op basis van een vergelijking van de prestaties van bedrijven.
- De doelstelling van 20 procent is verdeeld onder de lidstaten en iedere lidstaat heeft een eigen nationale doelstelling. Deze verdeling is gemaakt op basis van kosteneffectiviteit en draagkracht. Daarnaast is er flexibiliteit ingebouwd om de doelen te halen (bijvoorbeeld door handel tussen lidstaten).
- Er zijn Europese duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen vastgesteld.
- De EU financiert gezamenlijk grootschalige demonstratieprojecten voor CO2-afvang en -opslag. Daarvoor worden 300 miljoen emissierechten opzij gezet (6-9 miljard euro). Ook demonstratieprojecten voor innovatieve hernieuwbare energietechnologieën komen in aanmerking.
- Lidstaten krijgen de mogelijkheid om gedurende enkele jaren (2013-2016) veilingopbrengsten te gebruiken voor een deel van de investeringen (maximaal 15 procent) in zeer efficiënte energiecentrales, mits deze zijn voorbereid zijn op het afvangen en opslaan van CO2 (CCS).
Verder is afgesproken dat de EU de CO2-uitstoot met 30 procent vermindert als andere landen ook meer gaan doen in de strijd tegen klimaatverandering. Hiermee geeft de EU een sterk signaal aan de rest van de wereld en behoudt de EU het voortouw in de mondiale aanpak van klimaatverandering. De bedoeling is om in Kopenhagen (december 2009) een wereldwijd klimaatakoord te bereiken, als opvolger van het Kyoto-protocol van 1997.
In het werkprogramma 'Schoon en Zuinig: Nieuwe energie voor het klimaat' beschrijft het kabinet de ambities voor Nederland. Zie Europa.eu.int voor meer informatie over de Europese klimaatwetgeving en de Europese Commissie. Ook de websites Europa.eu, Eu-milieubeleid.nl en Milieuennatuurcompendium.nl bieden uitgebreide informatie over het Europese klimaatbeleid.
Mitigatiebeleid: Nederland
Klimaatverandering groeide eind jaren ‘80 snel uit tot een van de belangrijkste onderwerpen van het milieubeleid. In het eerste nationale milieubeleidsplan (NMP) uit 1989 werd klimaatverandering een van de hoofdthema's van het milieubeleid. De overheid wilde de CO2-uitstoot of emissie in 2000 stabiliseren op het niveau van 1989-1990. Die doelstelling is niet gehaald: in 2000 was de CO2-uitstoot 8 procent hoger dan in 1990. Ook werd gestreefd naar internationale initiatieven voor het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen.
In de jaren ’90 van de vorige eeuw was Nederland actief bij het opstellen van doelstellingen en beleid op wereldwijd, Europees en nationaal niveau. In 1991 verscheen de Nota Klimaatverandering. Daarin werd de eerdere doelstelling aangescherpt: in 2000 minimaal 3 procent minder CO2-uitstoot ten opzichte van 1989-1990. In de Vervolgnota Klimaatverandering (uit 1995) streefde de overheid er naar om na 2000 de uitstoot ten minste op dat niveau te stabiliseren. Wel wilde ze verdere reducties realiseren als daarover internationale afspraken gemaakt zouden worden. Die afspraken kwamen er tijdens de klimaatconferentie van de Verenigde Naties in Kyoto (1997) in het zogenaamde Kyoto-protocol.
Nederland en Kyoto
Voor de doelstelling van het Kyoto-protocol moet Nederland in de periode 2008-2012 200 Megaton (Mton, 1 Mton is 1.000.000 ton of 1.000.000.000 kilo) minder broeikasgassen uitstoten. De overheid zal de Nederlandse CO2-uitstoot jaarlijks met maximaal 13 Mton verminderen met behulp van joint implementation en het clean development mechanism. Dit wordt wel de 'buitenlandse taakstelling' genoemd.
Dit betekent dat Nederland dan in eigen land niet meer dan 213 Mton broeikagassen per jaar zal uitstoten. Het is de verwachting dat deze 13 Mton niet geheel nodig zullen zijn omdat de binnenlandse emissie naar verwachting minder dan 213 Mton zal zijn.
Op de lange termijn wil de overheid de overgang (transitie) naar een duurzame energiehuishouding bereiken en de CO2-uitstoot verder beperken. Het zogenoemde transitiebeleid staat in het vierde nationale milieubeleidsplan (zie dossier NMP4) en wordt vormgegeven in het programma Energietransitie (SenterNovem.nl).
De volgende ministeries zijn bij het klimaatbeleid betrokken:
-
VROM
Coördineert het Nederlandse klimaatbeleid. Daarnaast is VROM verantwoordelijk voor het beleid voor energiebesparing in bijvoorbeeld woningen, kantoren en winkels, de reductie van overige broeikasgassen (alle broeikasgassen behalve CO2), het clean development mechanism (een van de internationale mechanismen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen), zogenaamd 'schoon fossiel' en, voor wat betreft CO2-beleid, de technische eisen aan voertuigen.
In het werkprogramma 'Schoon en Zuinig: Nieuwe energie voor het klimaat' beschrijft het kabinet de ambities voor Nederland. Minister Cramer van VROM is trekker van dit werkprogramma. -
Ministerie van Economische Zaken (EZ)
Coördineert het beleid voor energiebesparing en is verantwoordelijk voor het energiebesparingsbeleid voor de industrie en voor het beleid voor hernieuwbare of duurzame energie. EZ is ook verantwoordelijk voor het mechanisme van joint implementation. -
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
Gaat over de energiebesparing in de glastuinbouw. Ook speelt dit departement een belangrijke rol in het terugdringen van de methaanuitstoot. De veeteelt is een belangrijke bron van het broeikasgas methaan. -
Ministerie van Verkeer en Waterstaat (V en W)
Is verantwoordelijk voor de mobiliteit in Nederland: het plannen van wegen op basis van het verwachte verkeersaanbod. Auto's, vrachtauto's en bijvoorbeeld bussen hebben een grote invloed op de emissies die het broeikaseffect veroorzaken. -
Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa)
Het klimaatbeleid is bij uitstek internationaal beleid - klimaatproblemen houden zich niet aan landsgrenzen - en daarbij speelt het ministerie van Buitenlandse Zaken een rol. Klimaat maakt ook deel uit van ontwikkelingssamenwerking, een beleidsterrein van Buitenlandse Zaken.


