Duurzame ontwikkeling
Beleid
Op deze pagina:
- Internationale oorsprong duurzame ontwikkeling
- Nationaal beleid
- VROM en duurzame ontwikkeling
- Europa
Internationale oorsprong duurzame ontwikkeling
De term ‘duurzame ontwikkeling’ stamt uit het Brundtland-rapport (1987) dat als basis diende voor de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (afgekort ‘Unced’) in 1992 in Rio de Janeiro. Daar kwamen 160 regeringsleiders en organisaties bij elkaar om de toekomst van de wereld te bespreken. Op deze historische top besloten regeringsleiders werk te maken van duurzame ontwikkeling en stelden daarvoor een aantal belangrijke verdragen op:
- een Klimaatverdrag
- een Bossenverdrag
- een Biodiversiteitsverdrag
- de Agenda 21, een omvangrijke uitvoeringsplan
In 1997 kwamen regeringsleiders in New York opnieuw bijeen. Deze bijeenkomst is bekend als de Rio+5-conferentie omdat zij plaatsvond 5 jaar na Rio. De vraag op deze conferentie was hoe het stond met het streven van de VN-lidstaten naar duurzame ontwikkeling. Wat was er allemaal gedaan om duurzame ontwikkeling dichterbij te brengen, en wat moest er nog gebeuren? In New York werden de aangesloten landen verzocht antwoord te geven op deze vragen via een zogenoemde nationale strategie duurzame ontwikkeling (NSDO). Nederland heeft dit gedaan met de nota's 'Verkenningen van het Rijksoverheidsbeleid' en 'Maatschappelijke verkenningen' uit 2002.
In september 2002 zijn dezelfde landen weer bij elkaar gekomen tijdens de Wereldtop over duurzame ontwikkeling (WSSD) in Johannesburg. Op deze top bleek dat er sinds Rio veel is gebeurd om duurzame ontwikkeling te bevorderen, maar ook dat veel van de gemaakte afspraken niét zijn nagekomen. Zo bleek de armoede te zijn toegenomen, het milieu verslechterd en de. aandacht voor duurzame ontwikkeling wereldwijd te zijn weggezakt.
De top in Johannesburg was dan ook vooral bedoeld om de uitvoering van Agenda 21 en het bereiken van de armoede - en milieudoelstellingen een nieuwe impuls te geven. Tijdens de top is een groot aantal afspraken gemaakt. Deze staan in een plan van implementatie. Eén van de afspraken daarin is dat overheden een actieprogramma Duurzame ontwikkeling opstellen. Zo'n actieprogramma moet uit twee delen bestaan: een internationale strategie en een nationale strategie.
Nationaal beleid
VROM stelt duurzame ontwikkeling centraal in haar beleid. Duurzame ontwikkeling was voor het kabinet Balkenende IV een van de prioritaire thema's. Het wilde niet-duurzame trends tegengaan door ondersteuning van koplopers, nationale en internationale samenwerking en sterke inzet op innovatie. Duurzame ontwikkeling vraagt een breed gedragen maatschappelijke verandering. Het kabinet werkt dit uit in het beleidsprogramma Kabinetsbrede Aanpak Duurzame Ontwikkeling (KADO).
Lees meer over het beleidsprogramma KADO en de resultaten ervan.
Deze aanpak staat uitgelegd in een brief (doc) aan de Tweede Kamer en is een jaar later aangescherpt na het verschijnen van het voortgangsrapport Monitor Duurzaam Nederland (pdf, 1,1MB).
VROM en duurzame ontwikkeling
Het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), verschenen in 2001, vormt de basis voor het Nederlandse milieubeleid. Volgens het NMP4 moet Nederland binnen 30 jaar zijn overgestapt naar een duurzame samenleving. Daarvoor zijn ingrijpende (inter)nationale maatschappelijke veranderingen en maatregelen nodig. Het NMP4 benoemt 7 hardnekkige milieuproblemen:
- verlies aan biodiversiteit
- klimaatverandering
- overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen
- bedreiging van de gezondheid
- bedreigingen van de externe veiligheid
- aantasting van de leefomgeving
- onbeheersbare risico's.
Volgens het NMP4 is er voor 4 van deze problemen een ingrijpende (inter)nationale maatschappelijke verandering nodig, bekend als een ‘transitie’. Dat zijn:
- Duurzame energie.
Energie die betrouwbaar en doelmatig is, en een oplossing biedt voor het klimaatprobleem.
Het ministerie van Economische Zaken heeft het initiatief om deze transitie te realiseren. VROM ondersteunt EZ met kennis en levert medewerkers. - Duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen.
Behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen verbeteren. Biodiversiteit (of soortenrijkdom) is van groot belang voor de voedselvoorziening, vruchtbaarheid van de bodem en bijvoorbeeld het klimaat.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het initiatief om deze transitie te realiseren. - Duurzame landbouw.
Duurzame landbouw produceert schoon, levert een bijdrage aan de mondiale voedselvoorziening, produceert veilig voedsel, neemt eisen in acht voor dierenwelzijn, draagt bij aan het in stand houden van natuur en biodiversiteit en bevordert het behoud van karakteristieke landschappen en een vitaal platteland.
Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit heeft het initiatief om deze transitie te realiseren. - Duurzame mobiliteit.
Minimale uitstoot (zogenoemde bijna-nul-emissies) van schadelijke gassen en geluid, bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, veiligheid, uitstekende leefomgeving en bijvoorbeeld zekerheid van energievoorziening.
Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft het initiatief om deze transitie te realiseren.
Transities vergen zeker 20 tot 25 jaar. Een voorbeeld is de transitie naar duurzame mobiliteit. Auto's vervuilen het milieu. Het huidige beleid biedt weinig mogelijkheden om dit probleem te bestrijden, want benzine is al redelijk schoon en veel auto’s hebben een katalysatoren. Daarom moeten we nadenken over nieuwe mogelijkheden zoals auto’s die op biodiesel of waterstof rijden.
Bij alle transities staat samenwerking tussen overheid, bedrijven, onderzoekers, consumenten- en maatschappelijke organisaties centraal.
- De overheid stimuleert vernieuwingen door experimenten te steunen.
- Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol bij het uitwerken van de transities en het uitvoeren ervan. Zij kunnen bijvoorbeeld met vernieuwende ideeën en initiatieven komen en hun visie geven op het handelen van de overheid.
- Burgers die activiteiten ontplooien die met transities te maken hebben, kunnen zich melden bij het programma Beleid met burgers van VROM. Beleid dat aangrijpt op wat de burger beweegt is realistischer, efficiënter en dus effectiever.
- Ondernemers zetten nieuwe duurzame ideeën om in goed verkopende producten (innovaties).
- Scholen, universiteiten en onderzoeksinstellingen kunnen nieuwe technieken onderzoeken doorwetenschappelijke disciplines te combineren met informatie van bedrijven, consumenten en maatschappelijke organisaties. Dit transdisciplinaire onderzoek kan leiden tot innovaties.
- Intermediaire organisaties zijn een schakel tussen kennisinstellingen, overheid, bedrijfsleven, burgers en maatschappelijke organisaties. Ze kunnen bijvoorbeeld initiatieven van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties verenigen. Het competentiecentrum Transities (CCT) is zo'n intermediaire organisatie. Het is een samenwerking tussen VROM, AgentschapNL, TNO en het kennisnetwerk Systeeminnovaties. Het CCT zorgt ervoor dat deze organisaties ervaringen en wetenschappelijke kennis over transities uitwisselen.
- Tot slot zijn er ook transitieplatforms: netwerken van experts en belangenorganisaties. De overheid stimuleert, betaalt en ondersteunt initiatieven van de platforms. Meer over de transitieplatforms staat op de website van AgentschapNL.
Europa
De Europese Unie heeft haar doelstellingen en uitgangspunten verwoord in de Europese Duurzaamheidsstrategie (europa.eu). Daarin staan gezamenlijke EU-acties, maar ook nationale acties. Zo moeten lidstaten in hun nationale strategie aangeven hoe zij de doelstellingen waarmaken voor klimaat, energie, transport, consumptie en productie, natuurlijke hulpbronnen, volksgezondheid, sociale insluiting, demografische ontwikkeling, migratie en armoede.
De landen van de Europese Unie beoordelen elkaars nationale duurzaamheidsstrategieën regelmatig. Zo'n beoordeling heet een peer review. Nederland heeft zich als eerste land aangeboden. Finland, Duitsland en Zuid-Afrika hebben in het voorjaar van 2007 de Nederlandse strategie beoordeeld aan de hand van een achtergronddocument over inhoud en proces van de strategie en gesprekken met betrokkenen. De landen bespraken hun conclusies en aanbevelingen onder meer met toenmalig milieuminister Cramer. Het oordeel van de peer review staat in het eindrapport 'A new Sustainable Development Strategy: an opportunity not to be missed' (pdf), dat is uitgebracht door de Raad voor ruimtelijk, natuur- en milieuonderzoek (RMNO).
- Zie ook: duurzame ruimtelijke ontwikkeling

